Onze privacy policy en legal notice lees je hier.

Interview Leo Van Broeck en Joachim Declerck over onze laatste kans om het goed te maken met de planeet

05/06/2018

‘Van labo’s tot kleine bierbrouwers: ze komen terug naar de stad’

Onze levensstijl is niet houdbaar. Maar hoe we die moeten veranderen, weten we niet. Daar is de stad het labo van. De architectuurbiënnale van Rotterdam en Brussel onderzoekt hoe we die ‘missing link’ kunnen overbruggen. Een essentieel gesprek met de Vlaamse curatoren Leo Van Broeck en Joachim Declerck. ‘In dit tempo halen we onze klimaatdoelen 200 jaar te laat.’

Van Broeck en Declerck
Leo Van Broeck en Joachim Declerck ©Kristof Vadino

We staan op de 23ste verdieping van de WTC-toren in de Brusselse Noordwijk. Het uitzicht is magistraal. Maar aan de voet van de toren loopt het mis. Architecten van overal ter wereld komen de buurt bestuderen als schoolvoorbeeld van hoe het niet moet: een wijk die in de jaren 60 ontworpen werd vanuit de overtuiging dat wonen, werken en ontspannen gescheiden moesten worden. Huizen gingen tegen de vlakte, in de plaats verrezen hoge kantoorgebouwen. Een deel daarvan staat vandaag leeg.

‘Het tapijt werd uitgerold voor een systeem dat elke ochtend salariswagens in de parkings laat glijden, waarvan de uitstoot bijdraagt tot klimaatverandering en conflicten wereldwijd’, zegt Joachim Declerck. ‘Die leiden tot migratiegolven die stranden aan de voet van deze toren. Het grotendeels leegstaande World Trade Center, het symbool van de wereldhandel die welvaart zou brengen voor iedereen, incarneert het einde van dat model. De utopie is gebroken.'

Manhattan in Brussel

Architect Declerck, van Architecture Workroom Brussels, en Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck zijn de twee Vlaamse curatoren van de Internationale Architectuurbiënnale van Rotterdam, waar ook een Brussels luik aan gekoppeld wordt. Onder het thema The Missing Link zullen de organisatoren de komende twee jaar onderzoeken hoe we de duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN en de klimaatbeloften van Parijs kunnen realiseren en welke rol daar weggelegd is voor ontwerpers.

‘Een halve eeuw geleden was de auto niet dominant. Maar ook in de toekomst zal hij dat niet zijn’

De WTC-toren vormt de ideale Brusselse uitvalsbasis voor dat onderzoek. Het wordt een labo vanwaaruit meer dan 400 actoren hun ideeën en projecten als een olievlek willen laten uitdijen. Er is genoeg gepalaverd over de transitie. We moeten het nu gewoon doen.

Dat ‘doen’ kan beginnen in de wijk aan onze voeten. Niet door de torens weer af te breken. ‘Het is een misverstand dat hoogbouw slecht is’, zegt Leo Van Broek. Het probleem is dat hier ’s avonds collectief het licht uitgaat. Je kunt de wijk herprogrammeren door auto’s te weren en in de gebouwen kantoren te mengen met winkels, zwembaden en appartementen met hangende tuinen. Je kunt scholen inrichten en een mooi park aanleggen. Dan krijg je kwalitatieve ruimte – kijk naar Manhattan. Het idee is nog niet helemaal geland, maar de geesten worden rijp.’

Als je hier over tien jaar uit de trein stapt, kom je dan in een Brussels Manhattan terecht?

Declerck: ‘Dat is de vraag. Met verleiden alleen zal het niet lukken, we zullen ook moeten sturen. We moeten durven te zeggen dat de verandering niet langer iets is waarvoor je kunt kiezen. Het móét. De klok tikt, nieuwe vastgoedprojecten en woonwijken staan in de steigers. Daarover een visie ontwikkelen is niet evident. We weten wel wat er moet gebeuren, maar we weten niet hoe.’

Er is geen masterplan? 

Van Broeck: ‘Neen. Maar we zitten ook niet helemaal in het donker. We kennen de oorzaken waardoor we vastzitten: we laten ons te hard drijven door rendementsprikkels en we hangen vast aan een wereldbeeld dat de mens vooropstelt ten koste van de planeet. Dit gaat niet alleen over ruimtelijke ordening. De hele planeet staat voor een keuze; dit is onze laatste kans om het goed te maken. Maar zolang de fundamentele visie ontbreekt over wie wij zijn en hoe we ons verhouden tot de wereld rondom ons, blijft het een moeilijk verhaal.’

hoogbouw Brussel
Hoogbouw in de Brusselse Noordwijk ©Jimmy Kets

De klok tikt, we moeten op veel terreinen tegelijk een transitie doormaken, maar we weten niet precies waar we naartoe gaan. Hoe kunnen we dat organiseren?

Declerck: ‘Het zou makkelijk zijn, mocht er een draaiboek klaarliggen. Dat is er niet. We hebben doelen bepaald van nu tot 2100. We dachten: als we maar genoeg experimenteren met hernieuwbare energie, wandelen we vanzelf naar die toekomst.’

‘Nu merken we dat er een glazen plafond zit aan dat optimisme. We lopen vast en lijken dat te aanvaarden. Tegelijk zit er een glazen vloer onder de grootse doelstellingen die we in wereldwijde klimaatakkoorden gebetonneerd hebben. Want die moeten uitgevoerd worden tot in de kleinste vezels van elke wijk, elke stad, elk landschap. De ruimte tussen dat glazen plafond en die glazen vloer is de “missing link” die we moeten zien te leggen.’

‘Neem de actie aan de scholen elke vrijdag, waar ouders het recht op schone lucht eisen. De regels voor betere luchtkwaliteit bestaan al lang, maar nu zie je van onderuit dingen in beweging komen. Dit weekend lanceren we vanuit onze expo en werkplek een oproep om met twintig scholen de schoolomgeving van de toekomst te ontwerpen.’

Van Broeck: ‘Een kanttekening: het gros van de vervuiling komt niet van de scholen, maar van de grote groep automobilisten. Als ontwerper blijf je hangen in onvermogen als je de onderliggende hefbomen niet aanpakt. Zolang we privaat autobezit faciliteren, mogen die scholen ontwerpen wat ze willen, ze blijven in een stofwolk liggen.’

Gaan die pogingen verder dan ­optimaliseren?

Declerck: ‘Toch wel. Je kunt de schoolomgeving van twintig scholen hertekenen, en vervolgens nog eens twintig. Dat is een virale transformatie, gedreven door de boosheid van ouders over het roet in de urine van hun kinderen. Maar verontwaardiging is niet voldoende, de vermenigvuldigingsdans gaat niet vanzelf. We moeten ook de stok durven te hanteren. Kijk naar hernieuwbare energie: in dit tempo halen we de doelen voor 2050 pas in 2250. Tweehonderd jaar te laat! Sommige studies spreken zelfs over vierhonderd jaar.’

‘We moeten dus durven te zeggen waar het op staat. Dat is moeilijk, want we leiden aan negationisme. We willen niet uit onze comfortzone. “Het gaat toch goed met onze regio?” Is dat zo? Economisch gaat het een beetje beter, maar in het licht van de doelen die we ons stellen, gaat het niet goed. Als we dat niet erkennen, zal de Vlaams-Nederlandse havendelta geen koploper blijven in de ­wereldeconomie.’

Hersenen en handen dicht bij elkaar

Kun je de economische groei vasthouden en tegelijk aan die transitie beginnen?

Van Broeck: ‘Dat denk ik niet. Toch niet de groei die we nu kennen. De toenemende omzet van goederen die we met tankers de wereld rondvoeren, is de grootste bron van CO2-uitstoot. We kopen A+++-vaatwassers die minder energie verbruiken, maar met de energie die nodig is om één vaatwasser te produceren, kun je er vijftig jaar lang een laten draaien. Bovendien gaat het toestel snel kapot en is het gemaakt met componenten die we niet hergebruiken. De productie van een Tesla-batterij stoot evenveel CO2 uit als de eerste 100.000 kilometer van een kleine Japanse benzinewagen. We zetten doelen uit, maar wat we doen in realiteit, staat er los van. Zolang we een groeimodel hanteren waarbij innovatie gebruikt wordt om het rendement van een krimpende groep rijker wordende aandeelhouders te verhogen, komen we nergens.’

Declerck: ‘Ik zie toch paden waarlangs we ons uit dat uitzichtloze verhaal kunnen wurmen. De grondstoffen zijn eindig. Het economische model kantelt naar circulair. Dat wéten al die grote spelers. Onze havens zullen een dominante rol in Europa blijven spelen. Niet langer door grondstoffen en producten in te voeren van over de hele wereld en daarmee onze eigen maakindustrie kapot te concurreren. Maar door recyclage- en reproductiehavens te worden. Laten we vooroplopen in plaats van het laatste element te zijn dat vasthangt aan het fossiele systeem.’

Hebben we ons ondertussen al vergist met innovatie? Was e-commerce een goed idee?

Declerck: ‘Je kunt de pakjeseconomie lezen als de laatste uitwas van een systeem waarbij we over de hele wereld dingen produceren en bij je thuis brengen, wat nog meer vervuiling en verkeer genereert. Maar het kan ook de aanzet zijn van een nieuw model met afhaal- en recyclagepunten, waarbij de kleinschalige industrie terug naar onze steden komt.’

‘Innovatie veronderstelt dat hersenen en handen dicht bij elkaar zitten. Van de labo’s van Philips en Umicore tot kleine bierbrouwers: ze komen terug naar de stad. De stad is geen Excel-tabel waaruit maximale winst gepuurd moet worden. Er zijn ook kieren en spleten nodig waar nieuw initiatief kan ontstaan. Het is aan de overheid om dat te garanderen.’

‘Zeven jaar geleden waren alle Brusselse politici ervan overtuigd dat de Kanaalzone van gedaante moest veranderen: weg met de cementfabriek en de betoncentrales, enter exclusief wonen aan het Waterfront. Nu vindt iedereen het cruciaal dat hier ook economische activiteit blijft.’

Ondertussen zitten we in Vlaanderen wel met een ruimtelijke ordening die het niet evident maakt een duurzaam energie- en mobiliteitssysteem uit te bouwen. Hoe trek je recht wat decennialang fout groeide?

Declerck: ‘Als je ziet hoeveel er gebouwd is de voorbije zestig jaar, besef je wat we de komende zestig jaar kunnen realiseren. Een halve eeuw geleden was er geen dominantie van de auto, er zal er ook geen zijn in de toekomst. Ook al is het moeilijk ons dat in te beelden.’

Moeten we de Vlaming weer uit zijn verkaveling duwen?

Van Broeck: ‘Dat gebeurt al. Fermettes geraken niet meer verkocht, de prijzen kalven af. Ik denk aan een villa die tien jaar geleden een hypotheekwaarde had van 950.000 euro – met zwembad, tennisveld en een park van een halve hectare. En een stookolie­rekening waarvan je een hartaanval krijgt. Die staat nu te koop voor minder dan de helft.’

Declerck: ‘Die huizen zijn gebouwd toen er nog andere energiestandaarden heersten, op grote percelen die de jeugd niet meer kan betalen. Dus wat krijgen we? Een pensioenprobleem. Mensen dachten dat hun woning evenveel waard zou blijven. Dat is een nationaal vraagstuk. Kunnen we dat misschien eens aanpakken?’

Gaan jullie ervan uit dat de toekomst aan de stad is? En zo ja, kunnen de steden dat blijven dragen?

Van Broeck: ‘De dominante grootstad zal de oplossing niet zijn. Die geraakt op. Ik denk dat we naar een goed verbonden netwerk van verdichte kernen evolueren, waar voldoende kritische massa is voor winkels, wonen en openbaar vervoer. Onze steden zitten nog niet aan hun plafond. Parijs heeft 21.000 inwoners per vierkante kilometer, Brussel amper 7.000.’

‘Tegelijk moeten we ons afvragen hoeveel volk de planeet kan dragen. In Japan hebben ze door dat die draagkracht op is. Ze hebben aanvaard dat ze van 127 miljoen inwoners nu gaan naar 80 miljoen tegen 2065. Japan kent een gigantische denataliteit. Die zouden wij zonder migratie ook hebben. Het vergrijzingsprobleem dat daaruit ontstaat, is tijdelijk. Als het aantal geboortes daalt, worden minder ouderen van de toekomst geboren en is je probleem over 35 jaar opgelost.’

Is de bevolkingsexplosie niet vooral ook een armoede­probleem, dat zich vooral stelt in ontwikkelingslanden?

Declerck: ‘Dat is zo, en daar is de stad weer een oplossing. Als de stad werkt als sociale ladder, worden vanzelf minder kinderen geboren. Dat hangt samen met de waardering van de vrouw die een andere rol krijgt dan alleen moeder zijn.’

Hoe gaan we in afwachting van minder mensen iedereen voeden?

Declerck: ‘In onze regio neemt het aantal landbouwers af. Ook het monocultuurmodel is niet vol te houden, want het verziekt ons water en put de bodem uit. Water en vruchtbare bodems zijn naast genetwerkte steden een essentiële voorwaarde voor onze welvaart. Als we dat kapotmaken, hypothekeren we onze toekomst. We moeten de shift maken naar kleinschalige landbouw.’

‘Neem Brussel: die stad kent verschillende groene wiggen die haar verbinden met de buitengebieden. De speculatie op die gronden is immens. Wat als we die groenzones nu eens behouden, omdat ze essentieel zijn voor de leefbaarheid van onze steden? Ze verluchten de stad, laten recreatie toe, bufferen water en kunnen dienen voor stadslandbouw.’

En waar gaan we de boeren halen?

Van Broeck: ‘Dat is een groot probleem. Onze economie bestaat voor 75 procent uit diensten, 24 procent uit goederen en voor 1 procent uit landbouw. Boeren overleven alleen door hun bedrijf te verkopen aan industriële spelers, die met grote machines en biotechnologie de grond tot de laatste rendementsmorzel uitpersen.’

Luister naar technocraten

Declerck: ‘Tenzij … Er zijn tegenvoorbeelden. In de miljoenenstad Sao Paolo bestelt de overheid voor ziekenhuizen, scholen en openbare diensten dagelijks twee miljoen maaltijden die lokaal geteeld zijn. Voor de favelabewoners wordt het interessant een stukje van hun grond vrij te houden om groenten te verbouwen. Als we ook hier zouden beslissen om collectief lokaal in te kopen, zou je het aantal boeren en stadslandbouwinitiatieven meteen zien toenemen. De enige reden om het niet te doen, is de speculatie op vastgoed- en grondprijzen.’

Dit raakt de sociale angel van de transitie, waarover we het veel te weinig hebben.

Declerck: ‘Inderdaad, en het is nochtans de sleutel. Als tewerkstelling in de landbouw niet rendabel is, zitten we voor onze voedselproductie met een probleem. Maar het gaat verder. De kapitaalkrachtigen hebben hun investeringen in hernieuwbare energie al gedaan – hun daken liggen vol met zonnepanelen. De rest van de inspanning moet gedaan worden door de zwakkeren. In arme wijken met slecht geïsoleerde woningen zullen we op collectieve renovatie moeten overschakelen, anders kunnen we nooit de grote omslag maken inzake energietransitie. We moeten hard sturen op ­solidariteit, net nu dat moeilijk ligt in de samenleving.’

Zijn jullie optimistisch of wanhopig?

Declerck: ‘Beide. The pessimism of the intellect and the optimism of the will. Over één ding ben ik echt bezorgd en zelfs verontwaardigd. Net nu we beseffen dat het anders moet en we de slimste koppen bij de overheid en uit de samenleving bij elkaar moeten krijgen, zetten we vooral in op besparen en efficiëntie. We snoeien zo hard dat we te weinig capaciteit ontwikkelen om na te denken over hoe de doelen die we ons stelden, wortel kunnen schieten. Dus is het business as usual. De biënnale maakt ruimte en tijd om bestuurders, ambtenaren, burgers, experts en ontwerpers samen te laten werken aan doorbraken op het terrein.’

Van Broeck: ‘Ik ben er overigens van geschrokken hoeveel kennis er zit bij mensen uit de administratie. De politici zouden beter wat meer luisteren naar de technocraten die al aan boord zijn.’

Declerck: ‘We moeten de antwoorden samen formuleren. Met een overheid die de prioriteiten voor de transitie koppelt aan de actie op het terrein. Er is al zoveel gaande, en er moet ook aan al die touwtjes tegelijk getrokken worden. The next big thing will be a lot of small things. Haal die rijkdom binnen, vermenigvuldig ze. Het ligt eigenlijk voor het grijpen.’


DE WERELD IN 2050

Geen eigen auto’s meer, maar ieder zijn eigen energie

Moet onze wagen de deur uit? Wie gaat ons voedsel kweken? Ons leven zal de komende decennia drastisch veranderen, dat is zeker. Maar hoe precies, kunnen we ons nog niet voorstellen. Bij de aftrap van de architectuurbiënnale in Rotterdam en Brussel geven de curatoren Leo van Broeck en Joachim Declerck vijf prikkelende voorzetten.

1. ‘In 2050 hebben we geen eigen auto meer’

We rijden dan in gedeelde voertuigen en hebben één kaart om een gedeelde fiets, wagen of trein te gebruiken. Mobiliteit delen is de enige manier om auto’s van de weg te halen, en dus minder stil te staan. Vandaag wordt veel hoop gesteld in de nieuwe technologie van zelfrijdende wagens, maar die technologische innovatie houdt niet meteen een ruimtelijke efficiëntieslag in. Door de omslag naar collectief gebruik van voertuigen komt er plaats vrij die niet langer door infrastructuur wordt opgeëist. Straten en pleinen krijgen meer ruimte en worden de ontmoetingsplekken van de 21ste eeuw.

2. ‘Boeren verhuizen tegen 2050 naar de stad’

Het aantal landbouwers zal in 2050 weer toenemen in Vlaanderen, om zowel de wereld als de lokale bevolking te voeden. Het beroep van boer wordt een vitale schakel in het stedelijke systeem. Ze voorzien de stedeling niet alleen van voedsel, maar garanderen ook de broodnodige plekken van groen en lucht. De voedselparken zijn de stadsparken van de 21ste eeuw. Burgemeesters hebben een enorme economische slagkracht: met één beslissing kunnen ze voor alle scholen en zorginstellingen lokaal voedsel inkopen en zo een ongeziene boost geven aan de plaatselijke boeren.

3. ‘In 2050 betalen we onze belastingen rechtstreeks aan een water- en energieschap’

Naar Nederlands voorbeeld betalen burgers direct aan partijen die de grote klimaatuitdagingen aanpakken. Zo ontstaat een pact tussen burger en overheid, waardoor het voor burgers leesbaarder wordt waar de budgetten naartoe gaan, en de overheid ook de verantwoordelijkheid draagt voor de implementatie van concrete oplossingen. Zo wordt actief de omslag gemaakt naar hernieuwbare energie, ruimte voor water en een lokale, gezonde voedselproductie.

4. ‘Over enkele decennia produceren we onze eigen energie’

In 2050 wekken we onze energie grotendeels zelf op, volledig hernieuwbaar. Omdat we zelf aandeelhouder worden van een lokaal energiebedrijf, worden we verantwoordelijk voor ons eigen energieverbruik. Zo slagen we in een van de moeilijkste dingen: ons energieverbruik doen afnemen. De massale investering die nodig is om van fossiele naar hernieuwbare energie te gaan, legt nieuwe infrastructuur onder onze straten, past onze gebouwen en publieke ruimtes aan en koppelt nieuwe tewerkstelling aan de noden van de 21ste eeuw.

5. ‘Straks kopen we vooral wat we zelf produceren’

Steden zijn geen winkelstraten meer, waar alle goederen vanuit de hele wereld naartoe komen om verkocht te worden en in vele verpakkingen mee naar huis te nemen. De winkelomgeving van vroeger wordt een maakomgeving: de assemblage van stukken gebeurt ter plaatse, er is minder stockageruimte nodig en producten kunnen op maat gemaakt worden. Budget dat vroeger in steeds grotere havensluizen geïnvesteerd werd, gaat naar innovatie- en productiemilieus in de stad. We worden minder afhankelijk van goedkope productie en grondstoffen uit andere delen van de wereld. In de plaats komt een kleinschalige maakindustrie die haven en stad weer aan elkaar koppelt.

 

© De Standaard

Bis, bouw- en inspiratiesalon
Flanders Expo
Maaltekouter 1, 9051 Gent
+32 (0)9 241 92 11
info@bisbeurs.be

Volg ons op  

Met het voortzetten van uw bezoek aan de website, accepteert u het gebruik van cookies om op maat gemaakte aanbiedingen en diensten aan te bieden. Lees meer